opus

1:

Volgens Andrée zelf is dit lied al vroeger ontstaan en wel omstreeks 1916; zij speelde het voor aan de Luikse komponist Charles Smulders die haar ten stelligste aanmoedigde met komponeren door te gaan. Zie hiervoor interview met Andrée Bonhomme in de ’Staarbode’ (het maandblad van de zangvereniging ’Mastreechter Staar’) van september 1949, pg. 2

4:

Datum copie: 4 september 1924

7:

Datum copie: 24 april 1927, dit werk werd in geïnstrumenteerde vorm opgenomen in het ballet ’Xanthis’

12:

Datum copie: 16 december 1926

14: Authentieke ’vergissing’ in de chronologie: opus 15 draagt als datum 13 mei 1925 en is dus vroeger ontstaan dan opus 14, gedateerd 22 november
16: Datum copie: 6 januari 1927; blijkens de rusten in de pianopartij is er zeker gedacht aan orkestbegeleiding maar hiervan is niets bewaard gebleven, als er al ooit een partituur is geweest
17: Datum copie: 1 maart 1927
18: Datum copie viool/pianoversie: 5 februari 1927
18a: datum copie viool/orkestversie: 10 augustus 1938, gezien de bijzondere plaats van dit stuk in het leven van Andrée wellicht geschreven voor een uitvoering met orkest buiten Maastricht
28: Datum copie: 22 augustus 1927
31: Datum copie: 6 november 1927
35: Evenals opus 19/20 en 22/25 opgezet als serie van zes; de laatste twee schetsen ontbreken, werden wellicht nooit geschreven
40: Datum: 1927; omstreeks 1940 opgenomen in ballet ’Xanthis’, [cf. letter C van de partituur]
40a: Fragment
46a: Fragment
47: Instrumentatie voltooid 26 januari 1929
48: Instrumentatie voltooid 26 januari 1929
49: Bevat kritische notities van Darius Milhaud
50: Fragment
51: Datum copie: 23 november 1928
53: Voltooid 24 juni 1929
56a: Later opgenomen in het ballet ’Xanthis’

60:

Voltooid 14 februari 1930

61: Alleen schets bewaard gebleven
62: Dit opusnummer werd oorspronkelijk toegekend aan het lied ’La tristesse précieuse’, de dato 6 januari 1930; dit lied werd opgenomen in de cyclus ’La flûte de Jade’ [zie opus 67]
67:

Deze cyclus bestond oorspronkelijk uit:
a. Ngo gay ngy [= tuin in maanlicht], de dato 24 december 1929
b. La tristesse précieuse [opus 62], de dato 6 januari 1930
c. Le pavillon de la musique, de dato 9 januari 1931
d. La dernière promenade, de dato 9 februari 1931
e. Clair de lune, ontworpen op 3 februari 1931, voltooid op 29 februari 1931
f. Une chanson [oorspronkelijk opus 68], de dato 7 april 1931
In de versie met orkest, die in de loop van 1931 ontstond, verdween ’a’ en werd ’e’ vervangen door het lied ’Prière’, dat op zijn beurt als werk voor zang en piano op 6 october 1931 werd geschreven als opus 71/2; alleen van ’La tristesse précieuse’ is een gedateerde schets bewaard gebleven: 20 september 1931

68: Zie opus 67
70: Datum copie: juli 1938
71/2: Opgenomen in ’La flûte de Jade’; cf. opus 67
73a:

Bewerking met gereduceerde orkestbezetting voor het ’KRO symphonieorkest’ van opus 73;
is in het najaar 1940 door de KRO op glasplaten opgenomen maar niet uitgezonden. Dirigent was Pierre Reinards, zelf oud-leerling van Henri Hermans

79: Een van de moeilijkste puzzles in de chronologie; dit werk draagt het opusnummer 81/2 en is gedateerd 10 november 1934. Noch het een noch het ander is waarschijnlijk; opus 81 is een ander werk dat niets met dit lied te maken heeft, de datum klopt chronologisch niet en in het najaar 1934 gebruikte Andrée ander papier dan een jaar daarvoor. Aangezien er geen opusnummer 79 was en het lied heel goed in de context van 1933 past, heb ik het daar geplaatst. Voor ’10 november 1934’ lees ik dan ’10 november 1933’
79a: De partituur van dit ongedateerde lied zat ingevouwen in de partituur van opus 79; aangezien noch papiersoort noch handschrift noch muzikale stijlkenmerken wijzen op een later tijdstip dan 1933, neem ik aan dat het bij opus 79 behoort. Ik ben me ervan bewust dat bovenstaande redenering nogal onwetenschappelijk is maar, zoals mijn leermeester prof. dr. Marius Flothuis het eens formuleerde: ’soms moet je de wetenschap laten voor wat zij is en gewoon je intuïtie volgen’
80: Deze cyclus bestaat uit de liederen:
a. Bloemenschip, de dato 2 januari 1934
b. Slaapliedje, de dato 15 januari 1934
c. 1001 nacht in Japan, de dato 2 februari 1934
d. Droomen, de dato 15 februari 1934
de instrumentatie werd gemaakt in de maanden augustus tot en met oktober 1934
81: Andrée werkte aan haar ’Poème de l’extase’ van februari tot april 1935; in januari 1937 werden nog wijzigingen in de partituur aangebracht. Dit werk werd uitgevoerd op 30 juni 1940 tijdens een ’studieconcert Maneto’ [zie biografische schets] en was daarmee de eerste kompositie voor orkest die buiten Limburg tot klinken kwam
83: De eerste ontwerpen van het ballet ’Xanthis’ dateren uit 1938. Het plan was een tiendelig ballet voor vier dansers te maken, waarbij Andrée de hoofdrol toedacht aan Jkvr. Noëlle van der Maese de Sombreff, die onder de kunstenaarsnaam ’Noëlle de Mosa’ aan het einde van de jaren dertig als balletdanseres grote furore maakte. Zij was prima ballerina bij het fameuze ballet van Kurt Jooss. Bij het uitbreken van de tweede wereldoorlog in september 1939 vroeg dit balletgezelschap - toen op tournee in Zuid-Amerika - politiek asiel aan. De leden kwamen pas in 1945 of later in Europa terug. Vandaar ook dat Noëlle de Mosa en Andrée Bonhomme elkaar volledig uit het oog verloren en de partituur van ’Xanthis’ nooit geheel werd voltooid. Er is een pianoparticel van het gehele werk, (laatste maten geschreven in september 1940) inclusief opus 7, opus 40 en opus 56 maar daarvan zijn slechts vijf delen ge´nstrumenteerd
83a:

In de winter 1940/1941 zegde de dirigent Henri Hermans zijn orkestlid Andrée Bonhomme een uitvoering van haar werk toe. Andrée koos echter voor de uitvoering van vier voltooide delen en presenteerde deze als ’suite uit het ballet ’Xanthis’. Het waren de delen:
a. Danse de Xanthis
b. Menuetto [opus 7a]
c. Valse [opus 56a]
d. Burlesque
Deze suite werd uitgevoerd door het MSO en het USO, o.l.v. Henri Hermans, einde 1940. Kort daarop verzocht ook de KRO om een uitvoering; in dit geval gaf Andrée er de voorkeur aan om uit enkele andere fragmenten een tweede balletsuite samen te stellen. Dit waren de delen:
a. Prélude et danse de ’Xanthis’
b. Intermède
c. Danse de Faune
Een uitvoering was gepland op 12 april 1941 door het KRO-orkest o.l.v. Pierre Reinards maar deze uitvoering heeft niet plaatsgevonden. Daarna is de suite blijven liggen.
Het ballet ’Xanthis’ is qua omvang Andrée’s grootste werk

84:

Onder dit opusnummer zijn weer meerdere werken genoemd, die niets met elkaar van doen hebben, m.a.w., het opusnummer is ergens onjuist. Het vroegste werk is een met ’januari 1941’ gedateerd ’Lamento’ voor cello en piano; daarnaast zijn er ’Deux chansons Arabes’ en wel:
a. Attente
b. Après
Van deze twee liederen bestaat ook een instrumentatie met nog enkele losse orkestpartijen. Een schetsmanuscript hiervan is gedateerd ’juni 1941’. Bovendien is er een derde, niet gedateerd lied ’l’Autre’, dat ik om stylistische en orthografische redenen bij de ’Deux chansons’
plaats.
Het ’Lamento’ is opgedragen aan F. d’A. Hierachter schuilt de naam van François Comte d’Avou Dion, een oudoom van Andrée in Frankrijk, die zij voor 1940 herhaaldelijk bezocht. Deze oudoom stierf in november 1941; de datering van het handschrift is dus onjuist en moet natuurlijk ’januari 1942’ luiden. Daarom ook is dit werk hier als opus 84c vermeld. Het manuscript van opus 84c is in bezit van John Slangen te Kerkrade, die het een aantal jaren geleden bij een Maastrichtse muziekhandelaar kocht. Het manuscript is afkomstig uit de nalatenschap van de cellist Chrétien Bonfrère, die een collega van Andrée aan de Heerlense muziekschool en in het Maastrichts Stedelijk Orkest was. De muziekhandelaar heeft een staaltje van ’vakkennis’ en piëteit ten beste gegeven door een groot stempel op het manuscript te zetten. Bepaald geen reklame! Ook het optreden van John Slangen is geen reklame voor hem zelf en geeft geen blijk van elementaire gevoeligheid.
Slangen weigert het manuscript van opus 84c, dat hij voor een paar gulden kocht, af te staan aan het ’Archief Andrée Bonhomme’. Hij is daarmee de enige bezitter van een manuscript, die meende zo te moeten handelen. Vermeldenswaard is zijn argumentatie: ’nu is mijn manuscript nog unieker en nog waardevoller.’ Slangen was meerdere jaren sekretaris, later voorzitter van het ’Genootschap van Limburgse komponisten’. Ook al weer geen reklame!

85: Dit lied is niet gedateerd; er is alleen een schets bewaard gebleven. In een declaratie voor het BUMA uit 1953 [01] vermeldde Andrée een lied op tekst van Albert Samain: ’La tourterelle de Rolande’ [02]. Van dat lied is geen spoor te vinden. Zou zij misschien toch ’La tourterelle d’Amyncone’ hebben bedoeld, eveneens op tekst van Albert Samain, en zich alleen in de titel hebben vergist? Indien deze veronderstelling juist is moet het lied voltooid en in partituur uitgeschreven zijn geweest.
Waar zou die partituur zich dan bevinden?
87: Dit is het enige ’bewust onjuiste’ opusnummer in het werk van Andrée.
De gedrukte partituur is gedateerd mei 1941 en er is geen enkele reden om aan de juistheid van deze datering te twijfelen. Bovendien zijn de schetsen op hetzelfde soort papier als gebruikt voor opus 84. Het laatste opusnummer waarvan het bijbehorende werk niet bekend is, is opus 74 uit de jaren 1931/1932. Het is alleen al muzikaal/stylistisch gezien absoluut onmogelijk dat ’Le chant des guerriers’ uit deze periode stamt. Ook gedurende de jaren 1941-1945 zijn alle opusnummers met gedateerde partituren vertegenwoordigd, uitgezonderd opus 87. De enige mogelijkheid is dus dat Andrée dit werk na opus 86 alsnog van een opusnummer heeft voorzien.
’Le chant des guerriers’ was tijdens het zangersconcours van 1949 te Scheveningen het verplichte werk in de hoogste afdeling
87a: Opdracht gedateerd: 12 april 1942
89: De cyclus bestaat uit de liederen:
a. Chanson de flûte, de dato 31 juli 1944
b. Chanson triste, de dato 10 augustus 1944
c. Demande, de dato 12 augustus 1944
d. l’Ibis mort, de dato 18 augustus 1944
Op de plaats van het eerste lied stond oorspronkelijk het lied ’Paysage’, eveneens gedateerd 31 juli 1944; de schetsen van de instrumentatie dateren uit augustus 1944; de instrumentatie werd voltooid in de eerste weken van 1945
91: Voltooid op 16 mei 1953; materiaal bevindt zich in de bibliotheek van het KONEZA te Hoensbroek
92 / 93: Mevrouw W. Michiels van Kessenich was de echtgenote van de toenmalige burgemeester van Maastricht. Andrée was bevriend met mevrouw Michiels en gaf daar aan huis pianolessen aan de kinderen
94: Deze liedcyclus was een regeringsopdracht en van meet af aan bedoeld voor zang en orkest. Er bestaat dan ook geen piano-uittreksel van. De delen zijn:
a. Evocation
b. La main fleurie
c. Berceuse triste
d. La vase de Syrie
95a: Waarschijnlijk heeft de kennismaking met Gerard Kockelmans en zijn ’Maastrichts Mannenkoor’ in het voorjaar 1956 er toe geleid dat Andrée haar ’Receuillement’ ook voor mannenkoor bewerkte. Het is veel gemakkelijker dan opus 87
100: fuga voltooid 15 januari 1957, prélude voltooid 3 februari 1957, verbeteringen in instrumentatie de dato 28 maart 1957. Ontwerpen opus
100a behoren wel bij opus 100 maar hebben betrekking op andere fuga (soort voorstudie)
101: Autografe partituur ontbreekt; orkestmateriaal in bibliotheek LSO te Maastricht
102:

Nog in het begin van de jaren zestig had Andrée het plan een ’Vocalise’ te schrijven voor solo-stem, vokaliserend mannenkoor en begeleiding. Dit plan is nooit gerealiseerd [03]